Hoofdstuk 4 van de Gesprekken van Confucius

yuē:“rénwéiměichǔrényānzhì!”

IV.1. De Meester zegt:— Een goed buurtleven is dat waarin eerlijkheid heerst. Kan men een wijze man noemen die, bij het kiezen van een woonplaats, geen eerlijke buren wil hebben?




yuē:“rénzhějiǔchǔyuēchángchǔrénzhěānrénzhìzhěrén。”

IV.2. De Meester zegt:— Een man die niet deugdzaam is, kan niet lang in armoede of rijkdom blijven zonder erger te worden. Een deugdzaam man vindt geluk in deugdzaamheid; een wijze man streeft alleen naar de schat van deugdzaamheid.




yuē:“wéirénzhěnénghàorénnéngrén。”

IV.3. De Meester zegt:— Alleen de deugdzaam man weet de mensen op de juiste manier te liefhebben en te haten.




yuē:“gǒuzhìrénè。”

IV.4. De Meester zegt:— Wie zich serieus inzet voor deugdzaamheid, ontwijkt kwaad.




yuē:“guìshìrénzhīsuǒdàozhīchǔpínjiànshìrénzhīsuǒdàozhījūnrénchéngmíngjūnzhōngshízhījiānwéirénzàoshìdiānpèishì。”

IV.5. De Meester zegt:— Rijkdom en eer zijn zeer begeerd door de mensen; als je ze niet op eerlijke wijze kunt verkrijgen, neem ze dan niet aan. Armoede en verachtelijkheid zijn afschuwelijk voor de mensen; als ze je overkomen, zelfs zonder enige schuld van jouw kant, vlucht er dan niet voor. Als de wijze man de weg van deugdzaamheid verlaat, hoe kan hij dan zijn titel van wijze man rechtvaardigen? De wijze man verlaat hem nooit, zelfs niet voor de duur van een maaltijd. Hij blijft er altijd bij, zelfs midden in de meest dringende zaken, zelfs midden in de grootste onrust.




yuē:“wèijiànhàorénzhěrénzhěhàorénzhěshàngzhīrénzhěwéirén使shǐrénzhějiāshēnyǒunéngyòngrénwèijiànzhěgàiyǒuzhīwèizhījiàn。”

IV.6. De Meester zegt:— Ik heb nog nooit een man gezien die deugdzaamheid echt liefhad en ondeugdzaamheid echt haatte. Wie deugdzaamheid echt liefheeft, stelt het boven alles; wie ondeugdzaamheid echt haat, cultiveert deugdzaamheid en ontwijkt elke vorm van kwaad. Is er een man die al zijn krachten inzet om deugdzaamheid een hele dag te beoefenen? Ik heb nog nooit een man gezien die niet genoeg kracht had om deugdzaam te zijn. Misschien bestaan ze wel; maar ik heb ze nog nooit gezien.

Notities:

Elke mens kan, als hij zich serieus inspant, perfectie bereiken.




yuē:“rénzhīguòdǎngguānguòzhīrén!”

IV.7. De Meester zegt:— Elke klasse mensen valt in een overmaat die hun eigen is. Men kan de deugdzaamheid van een man kennen door zijn fouten te observeren.

Notities:

De deugdzame man overtreft altijd in vrijgevigheid, en de gewone man in zuinigheid; de deugdzame man in goedheid, en de gewone man in hardheid van hart. Door de fouten van een man te zien, kan men weten of hij deugdzaam is of niet.




yuē:“zhāowéndào。”

IV.8. De Meester zegt:— Wie 's ochtends de leer van de wijsheid heeft begrepen, kan 's avonds tevreden sterven.




yuē:“shìzhìdàoérchǐèèshízhěwèi。”

IV.9. De Meester zegt:— Een man die zich toelegt op de studie van de wijsheid, maar schaamt zich voor grove kleding en gewone voeding, verdient het niet om mijn leerlingen te zijn.




yuē:“jūnzhītiānxiàshìzhī。”

IV.10. De Meester zegt:— In het bestuur van het rijk is de wijze man niet vastberaden om iets te accepteren of te verwerpen. Rechtvaardigheid is zijn regel.




yuē:“jūn怀huáixiǎorén怀huáijūn怀huáixíngxiǎorén怀huáihuì。”

IV.11. De Meester zegt:— De wijze man streeft naar perfectie, en de gewone man naar welzijn; de wijze man houdt zich aan de wetten, en de gewone man houdt van gunsten.




yuē:“fàngérxíngduōyuàn。”

IV.12. De Meester zegt:— Wie in zijn ondernemingen alleen zijn eigen belang nastreeft, roept veel ontevredenheid op.




yuē:“néngràngwéiguóyǒunéngràngwéiguó?”

IV.13. De Meester zegt:— Wie in het bestuur van de staat deze nederigheid toont die het fundament van de goedheid vormt, wat voor moeilijkheden zal hij dan tegenkomen? Wie in het bestuur niet de vereiste nederigheid heeft die nodig is voor goedheid, wat voor goedheid kan hij dan hebben?




yuē:“huànwèihuànsuǒhuànzhīqiúwéizhī。”

IV.14. De Meester zegt:— Maak je geen zorgen dat je geen functie hebt; maak je zorgen om waardig te zijn om een functie te krijgen. Maak je geen zorgen dat niemand je kent; werk erop om bekend te worden.




yuē:“shēndàoguànzhī。”zēngyuē:“wéi。”chūménrénwènyuē:“wèi?”zēngyuē:“zhīdàozhōngshùér。”

IV.15. De Meester zegt:— Mijn leer is op één ding gericht dat alles omvat.Zengzi antwoordde:— Zeker.Toen de Meester was vertrokken, vroegen zijn leerlingen wat hij had bedoeld. Zengzi antwoordde:— De leer van onze Meester bestaat erin om jezelf te verbeteren en anderen te behandelen zoals jezelf.




yuē:“jūnxiǎorén。”

IV.16. De Meester zegt:— De leerling van de wijsheid is zeer intelligent in wat betreft plicht, en de gewone man in wat betreft eigenbelang.




yuē:“jiànxiányānjiànxiánérnèixǐng。”

IV.17. De Meester zegt:— Als je een wijze man ziet, denk er dan aan om hem in deugdzaamheid te evenaren. Als je een man ziet die geen deugdzaamheid heeft, onderzoek jezelf dan.




yuē:“shìjiànjiànzhìcóngyòujìngwéiláoéryuàn。”

IV.18. De Meester zegt:— Als je ouders een fout maken, waarschuwt ze dan met grote zachtmoedigheid. Als je ze vastberaden ziet zijn om je advies niet te volgen, verhoog dan je respect en herhaal je waarschuwingen. Zelfs als ze je slecht behandelen, heb dan geen wrok.




yuē:“zàiyuǎnyóuyóuyǒufāng。”

IV.19. De Meester zegt:— Tijdens het leven van je ouders, ga dan niet op verre reizen. Als je reist, laat het dan in een bepaalde richting zijn.




yuē:“sānniángǎizhīdàowèixiào。”

IV.20. De Meester zegt:— Drie jaar lang de weg van je vader niet veranderen, dat kan men noemen vroomheid.




yuē:“zhīniánzhī。”

IV.21. De Meester zegt:— Je moet je vaak herinneren aan de leeftijd van je ouders, je verheugen over hun lang leven en vrezen dat ze zouden kunnen sterven.




yuē:“zhěyánzhīchūchǐgōngzhīdài。”

IV.22. De Meester zegt:— De oude mensen waagden het niet om uitspraken te doen; ze schaamden zich om hun daden niet te laten overeenkomen met hun woorden.




yuē:“yuēshīzhīzhěxiǎn。”

IV.23. De Meester zegt:— Men verliest zelden de weg door zichzelf strenge regels op te leggen.




yuē:“jūnyánérmǐnxíng。”

IV.24. De Meester zegt:— De wijze man streeft ernaar om langzaam in zijn woorden en ijverig in zijn daden te zijn.




yuē:“yǒulín。”

IV.25. De Meester zegt:— Deugdzaamheid gaat nooit alleen; een deugdzaam man trekt altijd navolgers aan.




yóuyuē:“shìjūnshuòpéngyǒushuòshū。”

IV.26. Ziyou zegt:— Wie door herhaalde adviezen zijn vorst lastigvalt, komt in ongenade; wie door herhaalde waarschuwingen zijn vriend lastigvalt, verliest zijn vriendschap.